Neem contact met ons op

Column: Ladder voor duurzame verstedelijking zorgt voor paradox

Pijler

Iedereen heeft inmiddels wel gehoord van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (voorheen SER-ladder) uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), maar niet iedereen is op de hoogte van het feit dat deze per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor ondermeer de bestemmingsplannen de treden van de ladder moeten worden doorlopen.

Ach, we haalden ‘de ladder’ wel aan in onze bestemmingsplannen, maar echt serieus de actuele regionale behoefte in beeld brengen, kijken of er geschikte herstructureringsmogelijkheden in bestaan stedelijk gebied zijn en wanneer je toch buiten bestaand stedelijk gebied bouwt beschouwen of je plangebied wel multimodaal ontsloten was? Met een alinea in de toelichting waarbij sprake was van een bijzonder globale toetsing was je er wel vanaf. Dit ging ook lange tijd goed en soms nog steeds, maar die tijd lijkt nu toch echt voorbij.

Twee in het oog springende recente uitspraken van de Raad van State maken aan die lichtzinnigheid direct een einde. In Amsterdam d.d. 25 september 2013 (klik hier voor de uitspraak) en Stationsgebied van Utrecht d.d. 29 januari 2014 (klik hier voor de tussenuitspraak) kwam de staatsraad tot het oordeel dat de actuele regionale behoefte onvoldoende was aangetoond. Het formele gebrek zorgde direct voor het gegrond verklaren van de beroepen en in Amsterdam voor vernietiging van de betreffende onderdelen.

De scherpe lijn die in de jurisprudentie wordt aangehouden kan verstrekkende gevolgen hebben. Wanneer we nota bene in het hoogstedelijke gebied van Amsterdam en Utrecht, aangewezen als economische motor van Nederland als Deltametropool, voor ieder initiatief moeten komen tot een kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de regionale behoeft vergt dat inhoudelijk (en voor zover mogelijk) nog veel meer van de krimpgemeenten in dit land. Dit zorgt voor een paradox in de Nederlandse wereld van de ruimtelijke ordening. Enerzijds staat de ruimtelijke economische dynamiek van alle steden onder druk en ontvangen we opgelucht ontwikkelaars en corporaties die nog willen (resp. en mogen) investeren. Anderzijds gijzelen we door de uitgebreide motivatieplicht aanbod gestuurde herontwikkelingstrajecten die voorzien in een latente vraag of proberen een neerwaartse spiraal te doorbreken.

Ik ga er vooralsnog vanuit dat de Raad van State de inhoudelijk onderbouwing van de treden van de ladder marginaal zal toetsten en al snel zal concluderen dat er voldaan is aan de ladder, maar voor nu lijkt het er ernstig op dat de ladder voor duurzame verstedelijking haar doel ver voorbij streeft en zorgt voor een paradox in de Nederlandse ruimtelijke ordening!

Rogier Crusio