Neem contact met ons op

Wijziging Besluit omgevingrecht (Bor)

Pijler

Per 1 november treedt een aantal wijzigingen van het Bor in werking. Een van de onderdelen betreft de verruiming van de regeling voor tijdelijk planologisch strijdig gebruik.

Tijdelijk planologisch strijdig gebruik
Op dit moment is tijdelijk planologisch strijdig gebruik zonder ruimtelijke onderbouwing geregeld in artikel 2.12 lid 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“Wabo“) jo 5.18 Besluit omgevingsrecht (“Bor“). Een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik waarmee wordt voorzien in een tijdelijke behoefte, kan op dit moment worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar. Tegen deze regeling bestaan als praktische bezwaren (i) de zeer strenge motiveringseisen die de Afdeling stelt aan het aantonen van de tijdelijkheid van de behoefte, (ii) de relatief korte duur van vijf jaar en (iii) de toepasselijkheid van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

De wijziging van deze regeling, die al werd aangekondigd in de wet tot het permanent maken van de Crisis- en herstelwet (“pChw“) (Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 3, p. 35-36), is als volgt.

De regeling voor tijdelijk planologisch gebruik wordt – onder verlenging van de maximale termijn van vijf naar tien jaar – verhuisd naar de kruimelgevallenlijst van artikel 4 bijlage II Bor, waarvoor de reguliere voorbereidingsprocedure geldt. Aan artikel 4 is  een lid 11 toegevoegd, dat luidt: “ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar“. Niet meer is vereist dat met dit gebruik wordt voorzien in een tijdelijke behoefte, het behoeft slechts feitelijk en aannemelijk te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Het gaat erom dat niet impliciet de activiteit voor onbepaalde tijd wordt vergund.

In nota van toelichting worden als voorbeelden van situaties waarin deze regeling niet kan worden toegepast genoemd het tijdelijk dempen van natuurlijk waardevol moerasgebied. Het is niet waarschijnlijk dat de gevolgen daarvan zich feitelijk ongedaan laten maken. Een ander voorbeeld is de bouw van een flatgebouw met twintig verdiepingen dat slechts voor een duur van vier jaar aanwezig mag zijn. Het is dan niet aannemelijk dat het bouwwerk na afloop van die periode zal worden afgebroken.

Als voorbeelden waarin de regeling wel kan worden toegepast, worden genoemd het tijdelijk gebruik van een kantoorgebouw voor studentenhuisvesting of het tijdelijk plaatsen van een gebouw ten behoeve van een tijdelijke winkelvestiging, op gronden met een agrarische bestemming.