Neem contact met ons op

Jurisprudentiemail: Ladder Duurzame Verstedelijking

Pijler

Jurisprudentiemail: Ladder Duurzame Verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder stelt eisen aan bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De afgelopen tijd verschijnt er regelmatig jurisprudentie over dit onderwerp. Deze uitspraken zijn van belang in uw praktijk, zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als de behandeling van zienswijzen en beroepen.

Graag informeren wij u hierbij over een aantal interessante uitspraken over de Ladder. Deze uitspraken hebben betrekking op (perifere) detailhandel en bedrijventerreinen.

Per 1 juli 2014 is artikel 3.1.6 gewijzigd. Hierdoor is er meer duidelijkheid over het stellen van economische voorwaarden.

Relativiteit en dpo: Bouw- en tuinmarkt Groningen
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juni 2014 (201310004/1/A1 (Groningen)) over de Ladder blijkt het volgende:

  • Artikel 3.1.6 lid 2 Bro is er mede op gericht om leegstand te voorkomen. Het belang van de appellanten (bouwmarkten) is gericht op het voorkomen van onaanvaardbare leegstand van dit type winkels, daarom is voldaan aan het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
  • Een distributieplanologisch onderzoek (dpo) kan een rol spelen bij het inzichtelijk maken van de eis in artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
  • Uit het dpo en het nadere rapport in de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het bouwplan voorziet in een actuele regionale behoefte, zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht en dat er geen reĆ«le andere vestigingsmogelijkheden voor de voorziene bouw- en tuinmarkt beschikbaar zijn in de regio en dat niet hoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare structurele leegstand, gelet op de beperkte gevolgen voor het bestaande aanbod en de mogelijkheden voor herinvulling van eventuele leegkomende panden. Volgens de Afdeling hebben de appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting van bouwmarkten een domino-effect zal hebben op andere bedrijven en speciaalzaken die als gevolg daarvan ook zullen sluiten en evenmin dat herinvulling van leegstaande bouwmarkten en tuincentra moeizaam is.

Uit bovenstaande volgt dat bij de onderbouwing van de Ladder Duurzame Verstedelijking op basis van artikel 3.1.6 lid 2 Bro gebruik kan worden gemaakt van een dpo. Tevens volgt uit de uitspraak dat andere bouwmarkten (zelfde geldt dan waarschijnlijk ook voor andere detailhandelsvestigingen) voldoen aan het relativiteitsvereiste als zij in beroep gaan tegen de zorgvuldige toepassing van de Ladder ten aanzien van de actuele behoefte.

Leegstand en goede RO: Electrononicaketen Saturn Son en Breugel
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2014 (201303469/1/R3 (Son en Breugel)) over de Ladder blijkt het volgende:

  • Het initiatief gaat om functieverandering en nieuwbouw van enige omvang, daarom is er sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro;
  • De regionale behoefte moet worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Voor detailhandel moet gemotiveerd worden dat rekening wordt gehouden met het voorkomen van leegstand (Nota van toelichting bij artikel 3.1.6 lid 2 Bro (Stb. 2012, 388, p50)). Tevens geeft de Afdeling aan dat het bestemmingsplan niet bedoeld is om concurrentieverhoudingen te regelen. Inzichtelijk moet worden gemaakt dat het plan geen zodanige leegstand tot gevolg heeft dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Dit is aangetoond middels een dpo.
  • Ondanks het feit dat in de nabijheid van de ontwikkeling een locatie beschikbaar is, is voldoende aangetoond dat er geen risico is op onaanvaardbare leegstand. Er is meer behoefte dan de beschikbare ruimte en door de nieuwe locatie zal de winkelstructuur versterkt worden.

Uit bovenstaande blijkt dat het niet nodig is om eerst alle beschikbare ruimte te benutten voordat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt kan worden, mits aangetoond is dat er voldoende behoefte is. Het feit dat ten gevolge van een ontwikkeling een pand leeg komt te staan, hoeft niet te betekenen dat het plan uit het oogpunt van de toets aan de Ladder niet door kan gaan. Tevens is dit een voorbeeld van een kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de behoefte.

Ladder en wijzigingsbevoegdheid: Hanzepoort Oldenzaal
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari 2014 (201305293/1/R1(Oldenzaal)) over de Ladder blijkt het volgende:

  • De ontwikkeling die de wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt (bedrijventerrein) betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro;
  • Als het college overgaat tot vaststellen van een wijzigingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden voldaan aan de ladder in artikel 3.1.6, lid 2 Bro;
  • Opname van een wijzigingsbevoegdheid houdt in dat het eventuele gebruik hiervan in beginsel in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarom zal bij het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid al inzicht gegeven moeten worden in de vraag of binnen de planperiode een regionale behoefte te verwachten is en of deze ontwikkeling eveneens kan voldoen aan de andere voorwaarden van de ladder.

Uit bovenstaande blijkt dat in ieder geval op hoofdlijnen gemotiveerd moet worden dat met de wijzigingsbevoegdheid, binnen de planperiode, aan de Ladder kan worden voldaan.

Meer informatie over de Ladder
Voor meer informatie bel met Kristel Hoogenboezem (06-15336892) of Rogier Crusio (06-51863293). Wij adviseren u graag over de aanpak van dit thema bij het maken van een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing.