Neem contact met ons op

Ladder Duurzame Verstedelijking: presentatie Schakeldag en wijziging Bro

Pijler

Schakeldag 2014: presentatie Ladder Duurzame Verstedelijking
Op 26 juni jongstleden vond de Schakeldag van Rijkswaterstaat plaats. PartnersRo heeft hier een bijdrage aan geleverd door de RO-gerelateerde sessies te coördineren. Daarnaast hebben wij een presentatie gegeven over de Ladder Duurzame Verstedelijking. In deze presentatie hebben wij uitgelegd hoe de Ladder werkt. Hierbij zijn wij ingegaan op de reikwijdte van de begrippen ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ en hebben wij aan de hand van de treden uitgelegd welke onderbouwing benodigd is. De jurisprudentie rondom de Ladder is nog volop in beweging. Aan de hand van de beschikbare jurisprudentie blijkt dat er al snel sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat de meeste plannen sneuvelen omdat er geen aandacht is besteed aan de Ladder. Van groot belang dus om de Ladder mee te nemen bij ruimtelijke plannen!

Wat is de Ladder?
De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

Kern van de ladder: stedelijke ontwikkeling en drie treden
In het Bro is aangegeven dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de ladder doorlopen moet worden. Een stedelijke ontwikkeling is ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Bij het doorlopen van de ladder zijn drie treden van belang.

  1. aantonen dat er sprake is van een actuele regionale behoefte;
  2. beoordelen of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd;
  3. als er geen ruimte beschikbaar is in bestaand stedelijk gebied, dan moet een locatie gezocht worden die goed ontsloten is (of kan worden) door meerdere vormen van vervoer. Deze treden moeten in bovenstaande volgorde worden doorlopen. Als niet wordt voldaan aan trede 1, kan de ontwikkeling niet goed gemotiveerd worden en zijn de andere treden niet meer aan de orde.

Jurisprudentie: wel/geen stedelijke ontwikkeling en kwalitatieve behoefte
De afgelopen tijd is er diverse jurisprudentie verschenen over de ladder. De meeste jurisprudentie richt zich op de vraag of er al dan niet sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat de realisatie van 1 of enkele woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien (ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4 (Weststellingerwerf) en (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4 (Midden-Delfland)). Ook blijkt uit jurisprudentie dat bij het beoordelen van de actuele regionale behoefte zowel kwantitatieve als kwalitatieve overwegingen kunnen worden betrokken (ABRvS 31 juli 2013, nr. 201301703/1/R6 (Wageningen).

Wijziging Ladder Duurzame Verstedelijking: meer duidelijkheid over economische voorwaarden
Per 1 juli 2014 is artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Er is een nieuw 4de lid toegevoegd. In het nieuwe vierde lid van de ladder wordt de randvoorwaarde gegeven dat een onderzoek naar de actuele regionale behoefte geen ander doel mag hebben dan om na te gaan of die vestiging in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voor bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen betekent dit dat een economisch behoefteonderzoek wel ten grondslag mag liggen aan de afweging of een bepaalde ontwikkeling wel of niet gewenst is, maar dat de afweging moet plaatvinden in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

De wijziging is doorgevoerd, omdat in de praktijk de vraag is ontstaan of de Ladder kan leiden tot het stellen van economische voorwaarden door provincies en gemeenten (zoals economische behoefte en marktvraag) aan de vaststelling van bestemmingsplannen die voorzien in vestiging van een dienstenactiviteit. In de bestemmingsplannen vallen de dienstenactiviteiten vaak onder de begrippen detailhandel en dienstverlening.

Het stellen van economische voorwaarden kan strijdig zijn met het verbod van artikel 14, lid 5, van de Dienstenrichtlijn. In artikel 14 lid 5 staat dat lidstaten de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk mogen stellen van, kort gezegd, economische criteria (marktvraag en overheidsdoelen van economische planning). De wijziging van het Bro is gepubliceerd in Staatsblad nr. 174 van 2014 en luidt als volgt:

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt onder vernummering van het vierde lid tot het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. Een onderzoek naar de actuele regionale behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan, bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Kristel Hoogenboezem of Rogier Crusio. Wij adviseren u graag over de aanpak van dit thema bij het maken van bestemmingsplannen of ruimtelijke onderbouwingen.