Neem contact met ons op

Meenemen alternatieve oplossingen in planvorming: verplicht?

Pijler

De Raad van State hanteert de lijn dat eventuele alternatieven niet per definitie allemaal onderzocht moeten worden, als het voorliggende besluit/keuze getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat daarbij om standaardjurisprudentie waarin consequent geoordeeld wordt dat “het bestaan van alternatieven”  “op zichzelf geen grond [kan] vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan”. Slechts “indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik van het door de gemeenteraad gekozen gebied waarop het plan ziet”, kan er een rechtsgrond zijn voor het oordeel dat de gemeenteraad voor een alternatieve locatie had dienen te kiezen.

Een MER kan in dat verband in zoverre een rol spelen, dat de daarin gegenereerde informatie gebruikt kan worden ter onderbouwing van het eventuele bestaan van bedoelde “ernstige bezwaren”.

Ook kan het moment waarop een alternatief voor een plan wordt ingebracht, van belang zijn. Hoe later in de bestemmingsplanprocedure, des te minder kans dat er een noodzaak is om het alternatief expliciet te overwegen.